Veelgestelde vragen en antwoorden

In het Milieuthermometerschema zijn de eisen zo helder en kort mogelijk omschreven. Door het korter karakter zijn ze soms op meerdere manieren te interpreteren. Op deze pagina geven we antwoorden op de meest gestelde vragen.

Het Excel werkdocument

Startershandleiding
Heeft u nog geen ervaring met het invullen van de Milieuthermometer?
Check dan de Startershandleiding Excel werkdocument Milieuthermometer Zorg

Wordt uw vraag niet in de handleiding beantwoord? Neem dan contact op met Judith de Bree

De Milieuthermometer eisen


Algemeen
  1. Milieu- en Energiemanagement
  2. Energie
  3. Water
  4. Afvalwater
  5. Bodem
  6. Lucht
  7. Afval
  8. Hinder
  9. Gevaarlijke stoffen
  10. Catering en voeding
  11. Reiniging
  12. Schoon en Zuinig Vervoer
  13. Inkoopbeleid
  14. Vastgoed
  15. Groenbeheer
  16. Papier
  17. Textiel
  18. Innovatie

Kunt u uw vraag niet terugvinden in de onderstaande lijst? Neem dan contact met ons op. We beantwoorden uw vraag dan zo snel mogelijk en voegen hem aan deze pagina toe.

ALGEMEEN

Hoeveel extra punten heb ik nodig bij het behalen van brons, zilver en goud?

Brons: 15 extra (Zorginstelling) 18 extra (Ziekenhuis) +3 extra (>10 ha groen)
Zilver: 20 extra (Zorginstelling) 23 extra (Ziekenhuis) +3 extra(>10 ha groen)
Goud: 25 extra (Zorginstelling) 28 extra (Ziekenhuis) +3 extra(>10 ha groen)

Extra punten of niet van toepassing?

Voorbeeld: Onze instelling heeft geen open koelsystemen. Koelwaterbeheer of –behandeling is niet van toepassing. Kunnen we, aangezien we chemievrij werken, toch extra punten krijgen voor eis 9.6 Koelwater behandeling?

Als er geen koelwaterbehandeling is dan is de eis niet van toepassing. Je krijgt dan geen extra punten. Dit geldt overigens voor alle eisen die niet van toepassing zijn in de organisatie.

Onze instelling zet graag een stagiair(e) in. Hoe formuleer ik de opdracht?

Zie daarvoor het Format (afstudeer-) stageopdracht implementatie Milieuthermometer (beschikbaar voor MPZ-leden na inloggen en voor Green Deal deelnemers op aanvraag).

Kan ik gratis gebruik maken van de Milieubarometer?

Leden van MPZ kunnen tot 31 december 2019 gebruik maken van een gratis startabonnement op de Milieubarometer. U kunt hierbinnen onbeperkt barometers (per locatie bijvoorbeeld) aanmaken. Certificaathouders van de Milieuthermometer kunnen zolang het certificaat (brons, zilver of goud) geldig is, onbeperkt gratis gebruik maken van de Milieubarometer.

Lees voor meer informatie:
https://www.milieubarometer.nl/aanmelden/mpz/

Waarom moet ik toch documenten aanleveren na de keuring als bij controlemethode staat: ‘visuele controle’?

Uit praktische overwegingen kan de auditor vragen naderhand foto’s als bewijsmateriaal aan te leveren. Dit is bijvoorbeeld het geval als niet alle zaken in één dag langsgelopen kunnen worden. In plaats van nogmaals langskomen wordt voor deze middenweg gekozen.

MILIEU- EN ENERGIEMANAGEMENT

Eis 1.1: Hoe weet ik aan welke wetgeving ik moet voldoen?

U kunt via de AIM-online de Activiteiten Internet Module doorlopen. Hierna krijgt u een overzicht van de wetgeving die op uw instelling van toepassing is. Dit hangt onder andere af van de klimaatinstallaties en de hoogte van uw energieverbruik. Voor zorginstellingen uit de care heeft MPZ een beknopt overzicht: Voorbeeld overzicht wetgeving (AIM) zorginstellingen.

Eis 1.2: Wat zijn de ingrediënten voor een goed milieubeleid?

De belangrijkste milieu uitdagingen voor de aankomende jaren wordt beschreven. Hiervoor worden doelen gesteld. De volgende aspecten worden ten minste meegenomen:

  • Aanleiding tot het opstellen van dit document
  • Onze doelstellingen voor duurzaamheid en milieu
  • Resultaten van onze nulmeting / huidige stand van zaken
  • Werkwijze om dit beleid uit te voeren
  • Speerpunten
  • Financiële aspecten van dit beleid

Voor MPZ-leden zijn voorbeeld beleidsdocumenten beschikbaar via de kennisbank op de website. Zo ook: Format beleidsnota duurzaamheid (versie s.5).

Eis 1.2: Ik wil geen duurzaamheidsbeleid maar een breder MVO-beleid. Hoe begin ik?

Bekijk daarvoor het MPZ Format MVO-Duurzaamheid (beschikbaar voor MPZ-leden na inloggen en voor Green Deal deelnemers op aanvraag).

Eis 1.4 (ook van toepassing op 7.6 en 11.1): Hoe uitgebreid moeten het milieubeleidsplan (of schoonmaakplan/afvalpreventieplan) zijn?

Voor het behalen van het keurmerk hoeven geen grote uitgewerkte plannen opgesteld te worden. Het gaat erom dat belangrijke aanpassingen/veranderingen op papier staan. Voor een beleidsplan volstaan 1 tot 2 A4-tjes. Voor de schoonmaak- en afvalpreventieplannen volstaan enkele A4-tjes per plan voor de care. Voor ziekenhuizen speelt meer en is een passend plan uitgebreider.

Eis 1.5: Hoe ziet een duurzaam vastgoedbeleid er uit?

Bekijk voor inspiratie het MPZ Format duurzaam vastgoedbeleid en Duurzaam Bouwen Beleid OLVG (DUBO)(beschikbaar voor MPZ-leden na inloggen en voor Green Deal deelnemers op aanvraag).

Eis 1.5: Moet ik een minimale score halen binnen de GRP-tool?

Nee, op dit moment stelt de Milieuthermometer nog geen bepaalde score voor de milieuprestatie van het gebouw verplicht. De prestatieberekening van de GPR-tool of BREEAM geeft inzicht en dient als onderbouwing van het duurzaam vastgoedbeleid. Andere tools die de milieuprestatie van het gebouw inzichtelijk maken zijn ook toegestaan.

Let op, het kan zijn dat uw gemeente wel eisen stelt in de vorm van een minimale GPR-score.

Waarschijnlijk zullen in de volgende versie van de Milieuthermometer (versie s.6) enkele normen benoemd worden en zal er meer onderscheid komen tussen niveau zilver en goud.

Eis 1.5: Als ik begin aan nieuwbouw, hoe neem ik duurzaamheid dan het best mee?

Gebruik Kansen bij Verkassen. Deze milieuwijzer geeft inzicht in kansen voor duurzaamheid en kostenbesparing. De website kan ook gebruikt worden bij renovatie of een verbouwing. Zie: http://www.kansenbijverkassen.nl/.

Eis 1.6: Hoe stel ik een CO2-footprint op en wat heb ik daarvoor nodig?

U stelt een CO2-footprint op door het effect van uw instelling op verschillende milieuthema’s uit te drukken in CO2-uitstoot. Hiervoor zijn de omrekeningsfactoren terug te vinden via: www.co2emissiefactoren.nl. Voor het opstellen van een CO¬2-footprint kunt zijn ook online tools beschikbaar. Een voorbeeld hiervan is de Milieubarometer, welke al veelvuldig in de zorg gebruikt wordt. U vult uw gegevens over energie, water, afval, emissies, transport in. Na het invullen van uw gegevens krijgt u direct een milieuscore, kostengrafiek, CO2-footprint, efficiency-indicatoren en een selectie van besparingstips voor zorginstellingen. MPZ biedt haar leden een gratis startabonnement op de Milieubarometer aan. Zie hiervoor: https://www.milieubarometer.nl/gratis-startabonnement/.

Eis 1.8: Wanneer moet een instelling een energiebesparingsplan hebben?

Deze eis is verplicht voor ziekenhuizen en extra voor overige zorginstellingen. Het energiebesparingsplan mag maximaal 4 jaar oud zijn. Een goedgekeurd EEP voor MJA Energie 3 voldoet ook.

Het keurmerk Milieuthermometer Zorg geeft vrijstelling voor handhaving voor het thema energie uit het Activiteitenbesluit en de EED rapportageplicht bij de meeste omgevingsdiensten. Zorginstellingen hoeven hierdoor geen energie-audit uit te laten voeren als zij met de Milieuthermometer werken. Zie voor meer informatie EED: www.rvo.nl/EED en scrol naar de Milieuthermometer.
Ook het voornemen om met de Milieuthermometer aan de slag te gaan is voor de meeste omgevingsdiensten goed.

Wanneer zorginstellingen een energiebesparingsplan maken moet dit minimaal de volgende onderdelen bevatten:

  • Uitgebreide energieanalyse, dus de “monitoringsgegevens energie” betreffen minimaal elektriciteitsverbruik op maandbasis en gasverbruik op jaarbasis van meerdere jaren (dus geen ontlasting t.o.v. ziekenhuizen op dit punt!)
  • Voor de “inventarisatie bronnen van energiegebruik” mag gebruik gemaakt worden van de energiebalans van TNO. Deze wordt ook gebruikt in de formats voor de verplichte energie-audits specifiek voor de zorg.
  • Bij de “analyse van alle potentiële verbetermogelijkheden” moeten minimaal de maatregelen van de “Maatregelenlijst EED zorg voor kleine en grote vestigingen” beoordeeld worden. Daarin zijn ook het eerste deel van de Erkende Maatregelen opgenomen. MPZ heeft praktische documenten ontwikkelt om te voldoen aan de EED. Deze vindt u via: milieuplatformzorg.nl/bibliotheek/wetgeving/eed/.

Let op! Sinds juli 2017 en januari 2018 zijn er aanvullende Erkende Maatregelen en omdat eis 1.8 schrijft: “dit bevat … ook de “erkende maatregelen…”, moeten ook deze beoordeeld worden. Deze zijn te vinden via: https://www.infomil.nl/zorg

Eis 1.9: Wat zijn de eisen aan een milieucoördinator? Moet hiervoor speciaal iemand aangenomen worden?

Nee, deze persoon mag al in dienst zijn bij uw bedrijf. Een gediplomeerd persoon is niet verplicht. Kennis mag de persoon in de praktijk opdoen.
Wel moeten in zijn/haar functieomschrijving de taken van een milieucoördinator opgenomen zijn. Dit is in ieder geval: het zijn van een centraal aanspreekpunt voor milieu- en energiezaken als taak en verantwoordelijkheid is vastgelegd. Bekijk ook de Functieomschrijving Milieucoordinator (beschikbaar voor MPZ-leden na inloggen en voor Green Deal deelnemers op aanvraag).

Eis 1.9: We hebben geen milieucoördinator. Kunnen we een medewerker opleiden?

Er zijn verschillende opleidingen tot milieucoördinator. Het volgen van deze opleiding is niet verplicht, maar wel heel leerzaam. Volg deze opleiding bijvoorbeeld via:

Eis 1.10 (en 1.12): Wat houdt openbaar maken van stukken in?

De stukken moeten voor iedereen te vinden zijn. Het volstaat om de documenten (met een link) op de website te publiceren.

Eis 1.13: Hoe communiceer ik met mijn medewerkers, bewoners en bezoekers over duurzaamheid?

Door middel van bijeenkomsten, social media, nieuwsbrieven etc. Dit kan geïntegreerd worden in bestaande werkoverleggen en bijeenkomsten met stakeholders. Voor de keuring en controle is het handig de communicatie-uitingen te verzamelen.

Eis 1.14: Hoe verduurzaam ik mijn LTOP of MJOP?

Floris Blom heeft voor Milieu Platform Zorgsector onderzoek uitgevoerd hoe zorginstellingen duurzaamheidsmaatregelen kunnen implementeren in het MJOP (meerjaren onderhoudsplan). Hiervoor zijn 4 zorginstellingen als casus gebruikt. Onderstaande documenten zijn de samenvatting hiervan, een format om zelf een businesscase te maken wanneer u het MJOP actualiseert en een overzicht van maatregelen (met name uit de Milieuthermometer) waar het om gaat:
Samenvatting afstudeeronderzoek Floris Blom 2017 duurzaam MJOP
Duurzaamheidsmaatregelen Milieuthermometer tbv MJOP
Template Businesscase tbv MJOP

De documenten zijn beschikbaar voor MPZ-leden na inloggen en voor Green Deal deelnemers op aanvraag.

ENERGIE

Eis 2.2: Hoe moet ik de erkende maatregelen beoordelen en inplannen?

De erkende maatregelen uit het activiteitenbesluit moeten voor iedere locatie waar het elektriciteitsverbruik groter is dan 50.000 kWh of het gasverbruik groter is dan 25.000 m3 beoordeeld worden.

Hoewel de maatregelen per branche zo opgesteld zijn dat deze zich binnen 5 jaar terug verdienen, kan het zijn dat maatregelen niet voor u van toepassing zijn of u deze al uitgevoerd heeft.

Per maatregel moet daarom aangegeven worden:

  • Niet van toepassing
  • Uit te voeren op een zelfstandig moment
  • Uit te voeren op een natuurlijk moment

Een zelfstandig moment betekent dat dit niet van andere zaken afhankelijk is en dus “zo snel mogelijk” uitgevoerd dient te worden. In het kader van de Milieuthermometer betekent dit dat alle zelfstandige maatregelen uiterlijk bij de tweede keuring volledig uitgevoerd moeten zijn. Deze maatregelen moeten dus binnen 2 jaar na de eerste certificatiedatum ingepland moeten worden.

Een natuurlijk moment is wel afhankelijk van de situatie en stelt dat uitvoer op een logisch moment dient te gebeuren. Bijvoorbeeld bij vervanging van apparatuur of bij een verbouwing of renovatie. Maatregelen voor een natuurlijk moment moeten daarom geborgd worden in het MJOP/LTOP.

Deze beoordeling kan uitgevoerd worden in de Milieubarometer waar per locatie een lijst in te vullen is met de stand van zaken van de erkende maatregelen voor de zorgbranche. Ook is het jaar van uitvoering per maatregel aan te geven en kunnen deze maatregelen opgenomen worden in het Milieubarometer-rapport van de betreffende locatie.

Dit rapport (met registraties zoals benoemd in eis 1.6 én de erkende maatregelen van eis 2.2) in combinatie met het MJOP/LTOP voor de maatregelen op een natuurlijk moment geeft tevens invulling aan eis 1.8 Energiebesparingsplan.

Eis 2.2: Wat moet ik doen als de verhuurder geen informatie geeft over de lijst met vervangingsinvesteringen in het kader van de erkende maatregelen?

De zorginstelling moet tenminste aantoonbare inspanningen hebben verricht richting de verhuurder om de gegevens te krijgen. Dit is aantoonbaar door correspondentie tussen beide partijen te laten zien aan de auditor. Daarnaast kan het zijn dat de huurder eigenaar is van bepaalde installaties en apparaten die onder dit criterium vallen. Daar is de huurder / zorginstelling uiteraard zelf verantwoordelijk voor en die gegevens moeten er dan sowieso zijn.

Eis 2.2: Wat als ik dit jaar geen budget heb voor bijvoorbeeld een HR-ketel?

Stel zwart op wit vast dat u binnen twee jaar de HR-ketel aanschaft en neem dit op in het lange termijn onderhoudsplan. Dit is bij de keuring voldoende. Bij de tweede hercontrole moet deze maatregel dan gerealiseerd zijn om het certificaat te behouden.

Eis 2.2: Hoe herken ik spouwmuurisolatie?

Er werd gebouwd met spouwmuren zonder isolatie tussen 1930 en 1975. Is uw pand in deze periode gebouwd, dan is de kans heel groot dat u een spouwmuur heeft. Voor bouwjaren tussen 1975 en 1991 kunt u uitgaan van matige spouwmuur isolatie. Na 1992 is relatief goede spouwmuur isolatie verplicht geworden.

Spouwmuurisolatie is aan de buitenkant nauwelijks te zien. Soms zijn dichtgemaakte gaten in de voegen te ontdekken. Dit duidt op naïsolatie. Als niet bekend is of de spouw nageïsoleerd is, kunt u ervan uitgaan dat dit niet het geval is.

Eis 2.3: Erkende maatregel 55?

Let op, dit moet maatregel 57 zijn! (Dit is een typefoutje in het certificatieschema). De kans is groot dat dit nummer in januari 2019 opnieuw wijzigt. Lees hier de volledige beschrijving van deze maatregel.

De precieze invulling van deze eis is niet in een kort antwoord te vatten. MPZ raadt aan de vertaling van deze wetgeving te lezen op DuurzaamMBK.nl: Registreer, analyseer en verminder uw energieverbruik.

Eis 2.4: De Europese norm stelt de EPBD-keuring pas verplicht bij een totaal koelvermogen van 70 kW, hoe zit dat?

De Europese norm ligt inderdaad hoger. Het staat de EU-lidstaten echter vrij een eigen (strengere) norm te stellen. In Nederland is die grens op 12 kW gezet, daarom volgt de Milieuthermometer dit ook. De kans is groot dat de grens ook in Nederland naar boven wordt bijgesteld. Echter, de uiterlijke implementatie-deadline van de nieuwe EPBD richtlijn is pas in maart 2020. In 2019 wordt er door een commissie vergaderd over de implementatie via de Nederlandse wetgeving, te weten de Regeling en het Besluit Energieprestatie Gebouwen.

Eis 2.6: Waarom moet groene stroom Milieukeur hebben?

Er bestaat veel groene ‘sjoemel’ stroom. Met sjoemelstroom wordt bedoeld dat de groene stroom (certificaten) uit het buitenland, voornamelijk uit Noorse waterkracht niet leiden tot “extra” groene stroomproductie, omdat deze centrales al jaren bestaan. Bij groene stroom met Milieukeur is de oorsprong en opwekking gecontroleerd en aangetoond dat het gaat om “extra” groene stroom. Behalve met het Milieukeur kan goede groene stroom ook aangetoond worden met garanties van oorsprong (GvO’s) van elektriciteit opgewekt in Nederland.

NB: Het product EcoStroom van Eneco heeft geen Milieukeur, maar bevat wel 10% Hollandse stroom en wordt daarom binnen de Mileuthermometer geaccepteerd.

Eis 2.11: Hoe kan ik voordeliger zelf duurzame energie opwekken?

Er zijn twee landelijke subsidies beschikbaar voor duurzame energie, waar zorginstellingen gebruik van kunnen maken:

Eis 2.15: Hoe realiseer ik acties voor personeel thuis?

Voorbeelden zijn:

  • Geef een LED lamp of energiemeter cadeau in het kerstpakket;
  • Houd wedstrijden, bijvoorbeeld: welke afdeling heeft het minste papierafval of kan in één maand de meeste energie besparen?;
  • Bied PV-panelen (met korting) aan;
  • Stimuleer elektrische fietsen via het bestaande fietsenplan. Stimuleren kan door (tijdelijk) elektrische fietsen aan te bieden voor proefritten.

WATER

Eis 3.1: Hoe kom ik achter het debiet van de douches?

Het debiet van een douche is de hoeveelheid water die per minuut uit de kraan stroomt. Dit is bekend per type kraan. In geval van oude kranen kunt u dit zelf meten met een doorstroommeter of een emmer en een stopwatch.

AFVALWATER

Eis 4.4: Welke lozingsnormen zijn van toepassing?

De voorschriften voor het lozen van afvalwater afkomstig van laboratoria en praktijkruimten staan in § 4.8.10 Activiteitenbesluit (AB), artikelen 4.123 en 4.124. Concrete maatregelen staan in § 4.8.9 van de bijbehorende ministeriële regeling, artikel 4.116.

U moet aan kunnen tonen dat metingen gedaan worden om de lozingseisen niet te overschrijden en dat een protocol aanwezig is waarin staat wat gedaan wordt als de lozingseisen wel overschreden worden. Zie voor meer informatie de InfoMil pagina over lozingseisen uit het activiteitenbesluit.

Als op basis van oude vergunningsvoorschriften geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater, dan is deze eis niet van toepassing (mits op het punt vóór het water het riool in gaat maar een bemonstering gedaan kan worden).

NB: Omdat care instellingen over het algemeen geen laboratorium, sterilisatie afdeling, etc. hebben, geldt deze eis dus alleen voor ziekenhuizen.

BODEM

Eis 5.2: Wanneer ben ik verplicht een overzicht te hebben van risicovolle situaties m.b.t. bodemverontreiniging?

Volgens de PGS15 wetgeving (opslag van gevaarlijke stoffen) dient iedere inrichting een ‘journaal’ te hebben als in totaal meer dan 2.500 kg of liter gevaarlijke stoffen in de inrichting aanwezig is. Dit journaal moet bestaan uit een plattegrond van de inrichting met daarop aangegeven welke activiteiten plaatsvinden en waar opslagvoorzieningen zich bevinden.Per opslagvoorziening moeten ten minste de volgende onderdelen beschreven worden:

  • Vervoersnaam, technische benaming en ADR-klasse
  • Hoeveelheid per ADR-klasse
  • Verpakkingsgroep
  • UN-nummer en modelnummer van gevaarsetiket
  • Chemische naam en CMR vermelding (in het geval van CRM-stoffen)
  • Contactgegevens van verantwoordelijke bij calamiteiten

Deze eis is dus niet van toepassing op inrichtingen waar in totaal minder dan 2.500 kg of liter gevaarlijke stof aanwezig is. Bij de meeste zorginstellingen zal dit het geval zijn. Desondanks is het zinvol om op de plattegrond aan te geven waar gevaarlijke stoffen zich bevinden. Met name voor voorkómen van escalatie van werkvoorraden (de beruchte keukenkastjes) werkt het praktisch dit eens in de zoveel tijd na te lopen met een plattegrond.

LUCHT

Eis 6.2: Wat moet ik doen als ik nog wel HCFK’s, zoals R22, gebruik als koudemiddel?

U mag het middel niet meer bijvullen, dit is wettelijk verboden. R22 is schadelijk voor het milieu. Het tast de ozonlaag aan. U mag het middel in de koelinstallatie laten zitten, zolang de installatie niet lekt. U kunt R22 beter vervangen, zodat u geen risico loopt op lekken en het milieu niet onnodig schaadt. Er zijn twee alternatieven:

  1. Vervangen door HFK’s, dit zijn net als HCFK’s synthetische koudemiddelen. Ze hebben geen effect op de ozonlaag, maar wel een zeer sterk broeikaseffect (124 tot 22.800 maal groter dan het broeikaseffect van CO2).
  2. Als de hele installatie vernieuwd moet worden: vervangen door natuurlijke koudemiddelen. Deze koudemiddelen komen van nature voor in het milieu. Voorbeelden zijn CO2, ammoniak en koolwaterstoffen. De middelen hebben nauwelijks effect op het milieu. Wel moeten er aak extra veiligheidseisen worden getroffen, omdat de middelen bij inademing giftig zijn of verstikking veroorzaken.

Bij natuurlijke koudemiddelen vindt geen uitfasering plaats. Bij HFK’s is dat wel het geval, waardoor ze steeds schaarser zullen worden. Zie voor meer informatie http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/ner/ozon-gassen/koudemiddelen/.

Eis 6.3: Wanneer zijn natuurlijke koudemiddelen interessant?

Wanneer de installatie aan vervanging toe is, is het raadzaam om een installatie met natuurlijke koudemiddelen te overwegen. Vanwege de veiligheidsrisico’s van deze middelen gelden bij vervanging de volgende richtlijnen (voor gebouwkoeling):

  • Kies voor een installatie met CO2 als de ruimte beperkt is. CO2 vereist leidingen met dikkere wanden en een kleinere diameter, door de hoge druk die op dit systeem staat. Het systeem is wel compacter, waardoor het minder ruimte inneemt.
  • Ammoniak (NH3) is giftig en vereist dus veiligheidsmaatregelen tegen lekken. Lekdichte ammoniaksystemen zijn voldoende beschikbaar. Dit systeem is wel wat groter dan een vergelijkbare installatie met CO2.
  • Er zijn ook NH3/CO2 systemen beschikbaar. Deze hebben een hoger vermogen dan CO2-systemen (maar lager dan NH3-systemen) en zijn veiliger dan NH3-systemen.
  • Kies voor propaan bij systemen < 25 kg koudemiddel. Propaan (en isobutaan) is explosief. In kleine systemen is dit geen probleem. Bij grote systemen (>25 kg koudemiddel) moeten veiligheidsmaatregelen getroffen worden of kan gekozen worden voor een cascadesysteem. Dit is een systeem waarin meerdere koelunits in serie geschakeld zijn. Hierdoor is het koelmiddel verdeeld over verschillende locaties, wat de benodigde veiligheidsmaatregelen beperkt.

Zie voor meer informatie de maatregel natuurlijke koudemiddelen voor gebouwkoeling in de maatregelenmodule op deze website.

Eis 6.4: Geldt de eis van 1% van de inhoud van de afzonderlijke koelinstallaties of de som van alle verliezen?

De 1% eis geldt per installatie. De eis geldt alleen voor grotere installaties vanaf een minimum aan koudemiddel van 3 kilogram. De kleinere (en meeste) koelkasten en vriezers vallen niet onder de eis.
Wanneer er in de installatie meer dan 1% lekkage is geweest, moet onderzocht worden wat de oorzaak is en hoe dit in de toekomst voorkomen wordt.

Eis 6.5: Hoe weet ik of ik een goede Low Nox brander in de cv heb?

Alle ketels (en noodstroomaggregaten) moeten voldoen aan NOx emissie-eisen.

  • Aardgas gestookte ketels met een nominaal vermogen minder dan 400 kW vallen onder de werkingssfeer van de Europese verordening Ecodesign. Dat betekent dat ze bij aanschaf en installatie voldoen aan de op dat moment geldende eisen. Na ingebruikname moeten de ketels blijven voldoen aan de emissie-eisen zoals die golden toen de ketel werd geïnstalleerd.
  • Voor aardgasketels >400kW moet bij installatie aangetoond zijn dat de ketel voldoet aan de emissie-eis die past bij de grootte van die ketel. Hiervoor wordt dan een ‘Eerste Bijzondere Inspectie’ uitgevoerd waarbij de emissies worden gemeten. Ook hiervoor geldt dat in principe de emissie-eisen blijven gelden zoals die golden bij installatie tenzij het bevoegd gezag nadere eisen stelt. (Dit zullen ze praktisch alleen doen als het een bijzondere installatie betreft.)
  • De emissie-eisen zijn en worden in de loop der jaren aangepast. Als bij een meting blijkt dat een oude ketel niet meer kan voldoen aan de geldende emissie-eisen zal de brander (of hele ketel) te zijner tijd vervangen moeten worden. Dit blijkt bij het vierjaarlijks laten opstellen van een SCIOS rapport (zie volgende punt). Voor de nieuwste emissie-eisen is een overgangstermijn vastgesteld: Installaties tot 5 MW (=5000 kW) moeten uiterlijk 1 januari 2030 voldoen.
  • Ook noodstroomaggregaten moeten aan actuele emissie-eisen voldoen tenzij ze minder dan 500 uur per jaar draaien, dan hoeven ze alleen te voldoen aan de specificaties van het noodaggregaat. Om <500 uur aan te tonen moet het aggregaat een urenteller hebben die maandelijks wordt afgelezen.
  • Voor verwarmingsinstallaties > 100 kW is het verplicht (staat in het activiteitenbesluit) om een keer per vier jaar een meetrapport op te laten stellen door een SCIOS inspecteur waarbij de efficiency en emissies van de verbrandingsinstallatie worden gemeten. Dit geldt ook als meerdere kleinere ketels op één schoorsteen een gezamenlijk vermogen hebben >100 kW. De SCIOS keuringsplicht geldt ook voor noodstroomaggregaten en andere verbrandingsinstallaties.

Acties:

  • Informeer bij de installateur of de aanwezige ketel(s) al voldoen aan de nieuwste emissie-eisen. Zo niet, dan zal de brander/ketel voor 2030 vervangen moeten worden en kun je dit in het MJOP opnemen.
  • Hebben jullie ketels en/of een noodstroomaggregaat met een vermogen hoger dan 100kW ga dan na of er een SCIOS rapport (of ander meetrapport) <4 jaar is. Zo niet regel dan een SCIOS inspectie.

Waar let een handhaver op:

  • Op de aanwezigheid van actuele (minder dan 4 jaar oude) SCIOS rapporten.

AFVAL

Eis 7.1: Waarom moet plastic folie apart worden ingezameld?

Plastic folie is goed recyclebaar en kan in het magazijn apart ingezameld worden. In overleg met de afvalinzamelaar kan dit apart of samen met het papierafval ingezameld en gerecycled worden. Wordt folie samen met overig plasticafval ingezameld, dan is het lastig na te scheiden en is het hergebruik minder goed mogelijk.

Eis 7.3: Hoe kan ik overig kunststof apart inzamelen?

Dit kan gescheiden worden aangeboden aan de inzamelaar. De kosten hiervoor verschillen erg per afvalinzamelaar. De kunststofprijs ligt momenteel erg laag, waardoor de inzamel- en verwerkingskosten nauwelijks/niet opwegen tegen de opbrengst. Hierdoor rekenen sommige afvalinzamelaars een hoog tarief voor het apart inzamelen van kunststof verpakkingsafval.

Als kunststof via de gemeente kan worden ingezameld dan is dat voordeliger, omdat het afval dan mee kan met stroom huishoudelijk kunststofafval. De verwerking van dit afval wordt gesubsidieerd door het Afvalfonds Verpakkingen.

Eis 7.5: Wat moet ik doen als ik incontinentie materiaal apart wil laten verwerken?

Momenteel (2018) is het nog niet mogelijk incontinentiemateriaal apart te verwerken. Er lopen wel twee pilots bij fabrieken in Amsterdam en Nijmegen. In het najaar wordt bekend of deze pilots op het gebied van duurzaamheid succesvol zijn. MPZ houdt u hierover op de hoogte via de nieuwsbrief. Heeft u aparte inzameling, dan kunt u dit zo laten, zodat u voorbereid bent op apart verwerken in de toekomst. Heeft u deze inzameling niet, dan heeft het voorlopig geen zin om dit op te zetten.

Eis 7.6: Hoe maak ik een afvalpreventieplan?

Volg daarvoor het MPZ Format afvalpreventieplan (beschikbaar voor MPZ-leden na inloggen en voor Green Deal deelnemers op aanvraag).

Eis 7.6: Wat is een vakbekwame persoon om een afvalpreventieplan te maken?

De milieucoördinator, hoofd facilitair of vergelijkbaar: iemand die zich 1 jaar of langer bezig houdt met afvalinzameling binnen uw zorginstelling. Daarnaast is het raadzaam om een verantwoordelijke van uw afvalinzamelaar in te schakelen bij het opstellen van afvalpreventieplan.

Eis 7.8: Wij mogen afgekeurde medische apparatuur niet aan derden geven, hoe kunnen we dan nog voldoen aan deze eis?

Afgekeurd is niet hetzelfde als afgedankt. Medische apparatuur die nog goed werkt kan na afdanken vaak naar landen waar de zorg minder goed is. Dat kan via directe contacten, leveranciers of stichtingen.

HINDER

Eis: 8.1: Gaat het om externe klachten van omwonenden over bijv. geluidshinder en dergelijke?

Hinder gaat zowel om klachten van omwonenden (bijvoorbeeld over geluidshinder) als interne klachten (van patiënten, medewerkers en bezoekers van patiënten).

GEVAARLIJKE STOFFEN

Eis 9.2: Wat moeten we precies doen om te voldoen aan de PGS15 (juiste opslag van gevaarlijke stoffen)?

De PGS15 is een vrij taai document dat op veel (kleine) zorginstellingen maar beperkt van toepassing is. MPZ heeft voor deze zorginstellingen een handleiding geschreven die de kern van de PGS15 beschrijft: Handleiding 'Opslag gevaarlijke stoffen' voor care instellingen. We raden aan deze te lezen vóórdat u probeert de PGS15 te doorploegen.

Eis 9.6: Wat is chemievrij koelwaterbeheersysteem?

Voorbeeld van Radboudumc: Waterbeheer met ozon bespaart veel voedingswater in vergelijking met de traditionele desinfectie met chemicaliën en daar is de winst al snel mee geboekt. Maar ook de spuihoeveelheid wordt aanzienlijk verminderd. Bovendien hoeven er geen gevaarlijke chemicaliën opgeslagen te worden, waar medewerkers mee moeten werken en welke terug te vinden zijn in het water dat uiteindelijk geloosd wordt. Doordat het met ozon behandelde water schoon is, wordt ook op de kosten bij het waterschap bespaard.

CATERING EN VOEDING

Eis 10.1: Hoe werk je aan preventie van swill?

Preventie van swill hangt nauw samen met het voorkomen van voedselverspilling. Steeds meer instellingen weten de omvang van voedselresten terug te dringen van 30-40% naar 10-20%. Dit kan door:

  • Op de dag zelf de maaltijdbehoefte op te nemen, zodat er niet te veel gekookt wordt;
  • Meerdere soorten grootte porties aanbieden, zodat iedere bewoner zelf kan kiezen hoeveel hij/zij wil eten;
  • Te werken met ingevroren maaltijden of ingrediënten, die op de dag zelf naar behoefte ontdooit kunnen worden;
  • Keuze aan te bieden in de tijd van de warme maaltijd, ’s middags of ’s avonds. Keuzevrijheid in de tijd van de warme maaltijd leidt in de praktijk tot minder restjes.

Eis 10.8: Wat is duurzaam serviesgoed?

Servies met een lange levensduur, dus afwasbaar servies of biologisch afbreekbare disposables. Belangrijk daarin is de vraag of biologisch afbreekbare disposables ook echt biologisch afbreekbaar zijn. De huidige gft-verwerkingssystemen zijn namelijk te kort voor biologisch afbreekbaar plastic.

Over het gebruik van afwasbaar servies (i.r.t. wegwerp) zijn boekwerken vol geschreven, de uiteindelijke milieu-impact hangt af van hoe vaak het afgewassen wordt. Zie voor meer informatie de website van Milieu Centraal

Eis 10.9: Krijgen we ook een extra punt als alleen de publiekscatering extern geregeld is?

Het kan voorkomen dat de patiëntenvoeding en het personeelsrestaurant in eigen beheer zijn, terwijl de publiekscatering (koffiecorner en bezoekersrestaurant) extern uitbesteed is. In dat geval kunt u alsnog een extra punt verdienen als deze externe cateraar volgens een milieumanagementsysteem (ISO 14.001) werkt. De catering van patiënten en personeel wordt vanzelf verduurzaamd door betreffende eisen van de Milieuthermometer te implementeren.

REINIGING

Eis 11.1: Wat wordt bedoeld met het schoonmaakplan en wie is vakbekwaam genoeg om dit op te stellen?

Een korte beschrijving of werkinstructie voldoet hier. Het gaat erom dat schoonmakers kennis nemen van de werkinstructie en bewust zijn van (1) het juiste middel op de juiste plaats, zodat geen onnodig gebruik gemaakt wordt van (gevaarlijke) schoonmaakmiddelen en (2) minimalisatie van waterverbruik, bijvoorbeeld door gebruik te maken van microvezeldoekjes. Een voorbeeld is een korte werkinstructie op iedere schoonmaakkar of een duidelijk schoonmaakplan of stappenplan van één of twee A4-tjes bij het schoonmaakbedrijf.

Vakbekwaam is een persoon die de verantwoordelijkheid draagt m.b.t. de schoonmaak. Het mag een intern of extern persoon zijn. Wanneer de schoonmaak wordt uitbesteed is de verantwoordelijke van het schoonmaakbedrijf een geschikte externe persoon om mee te denken over het schoonmaakplan.

Eis 11.2: Waar vind ik in welke klasse van de ABM onze schoonmaakmiddelen vallen?

In veel gevallen staat de ABM-klasse aangegeven op het veiligheidsblad van de middelen.

De Algemene Beoordelings Methodiek (of ABM) maakt onderdeel uit van het algemene waterkwaliteitsbeleid en is een methodiek waarmee de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels ingedeeld kan worden in klassen (Z, A, B of C), gebaseerd op intrinsieke stofeigenschappen als toxiciteit, carcinogeniteit en mutageniteit. Onder waterbezwaarlijkheid wordt verstaan: ‘de mate waarin er een kans is op nadelige effecten voor het aquatisch milieu’.

Om een uniforme uitvoering van de ABM beoordeling te waarborgen is een softwaretool ontwikkeld. De tool genereert op basis van specifieke stofeigenschappen als invoer een indeling van een stof of mengsel in een van de ABM-klassen. Op de veiligheidsinstructiebladen van schoonmaakmiddelen staan deze stofeigenschappen benoemd.

Als de ABM-klasse niet op het veiligheidsblad aangegeven is, vraag dan eerst de leverancier om informatie (de softwaretool is erg pittig om mee te werken).

Eis 11.7: Waar is de ABM te vinden?

Die is te downloaden vanaf de website van Infomil of via deze link: ABM alg beoordelingsmethodiek 2016 IenM.

SCHOON EN ZUINIG VERVOER

Eis 12.1: Wat wordt verstaan onder zakelijke personenkilometers?

Hieronder vallen alle kilometers die door medewerkers gemaakt worden buiten het woon-werkverkeer en buiten het goederenvervoer. Dit zijn dus zowel de reizen die tussen locaties gemaakt worden als dienstreizen. Er komt vaak enige overlap voor, op het moment dat medewerkers van huis uit naar afspraken reizen of wanneer personenvervoer tussen locaties gecombineerd wordt met goederenvervoer.

Eis 12.1: Hoe borg ik maatregelen zoals teleconferencing en carpoolen?

Leg afspraken hierover en richtlijnen vast.

Eis 12.9: Wanneer stimuleer ik OV en fiets genoeg?

  • Indien een fiets van de zaak wordt aangeboden;
  • Indien er een goede fietsenstalling aanwezig is;
  • Wanneer OV abonnementen worden aangeboden;
  • Wanneer er een pendeldienst naar een centrale OV-locatie wordt aangeboden.

Bij voorkeur voert u een combinatie van bovenstaande maatregelen uit.

INKOOPBELEID

Eis 13.1: Welke rol speelt inkoop in de Milieuthermometer?

Een deel van de eisen van de Milieuthermometer is gerelateerd aan productgroepen die u inkoopt. De Milieuthermometer vraagt om bij de inkoop van deze productgroepen milieu-eisen te stellen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën productgroepen:

  • Facilitaire producten waarvoor milieu-eisen zijn vastgelegd in de Milieuthermometer Zorg
  • Een selectie van facilitaire producten waarbij de PIANOo-criteria worden toegepast
  • Een lijst van medische elektrische apparatuur waarbij de EU-GPP-criteria worden toegepast

Bekijk het overzicht van productgroepen waarbij milieu-eisen moeten worden toegepast. Om MPZ-leden te faciliteren bij het stellen van milieu-eisen is de MPZ Duurzaam inkopen tool beschikbaar.

Vanaf niveau zilver vraagt de Milieuthermometer een inkoopbeleid waarin is vastgelegd dat u milieu-eisen toepast bij de inkoop van zowel facilitaire als medische producten. U kunt daarbij gebruik maken van de Inhoudsopgave duurzaam inkopen beleid (.docx).

VASTGOED

Eis 14.1: Welke merken en typen verf zijn duurzaam?

Op de website schildersvannu.nl leggen schilders uit wat duurzame verf precies inhoudt. Ook hebben ze een overzicht gemaakt van ecologische verven: Alles over duurzame verf.

Er staat niet aangegeven of deze merken een keurmerk dragen, maar de lijst is goed als uitgangspunt te gebruiken voor nader onderzoek.

Eis 14.1: Voldoet het DUBO keur voor schilderwerk?

Formeel gezien valt het Dubokeur niet onder type 1 van ISO 14024, maar belangrijke elementen van type 1 zijn wel door Dubokeur afgedekt. Het betreft een life cycle benadering, er wordt getoetst (niet helemaal duidelijk door wie) en is daarmee onafhankelijkheid ten opzichte van de certificaathouder, de criteria zijn (na opdrachtverstrekking) openbaar.

De afgelopen jaren zijn aan ziekenhuizen extra punten toegekend op basis van Dubokeur. De eis 14.1 stelt tenminste 50% van de uitgaven voor het binnenschilderwerk, etc. Voor Dubokeur is de eis 100%.

Eis 14.2: Gehuurde gebouwen?

In de eis staat: ‘bij het nieuw afsluiten van huurcontracten …’. Ons ziekenhuis heeft buitenpoli’s in nieuwe gebouwen, dus met energielabel A. Er zijn ook twee buitenpoli’s in relatief oude gebouwen met een lager energielabel. Voldoen we aan deze eis als het alleen maar gaat om het NIEUW afsluiten van huurcontracten en we dit aan kunnen tonen in een beleidsdocument of bepalingen in een huurcontract?

Als de huurcontracten nog lang lopen verwacht de certificeerder wel dat de instelling een poging doet om energiebesparende maatregelen te realiseren, bijvoorbeeld door overleg daarover met de pandeigenaar. Idealiter maak je de afspraak dat de eigenaar maatregelen uitvoert en dat deels in de huurprijs verrekent of dat jullie ze deels betalen en profiteren van besparing via servicekosten of de energierekening. Zie ook de suggesties op: http://www.infomil.nl/onderwerpen/duurzame/energie/handreiking-erkende/huurder-verhuurder/ onder “Spit Incentives”. Je kunt uiteindelijk ook overwegen afspraken te maken over uitzonderen van de oude panden in de audit. Bijvoorbeeld als dit panden zijn die op termijn afgestoten worden.

GROENBEHEER

Eis 15.2: Wat wordt verstaan onder groenterrein > 10 hectare?

Onder groenterrein valt al het landschap zonder bebouwing en verharding (zoals stoepen en parkeerplaatsen). Denk bijvoorbeeld aan grasvelden, perken, parken en vijvers/sloten met een groene wal. Er is minimaal 50% waterdoorlating mogelijk en actief beheer is noodzakelijk (m.u.v. bewuste verwildering).

Grind vormt vaak een twijfelgeval, omdat het waterdoorlatend is en vaak actief beheerd moet worden, maar geen groenwaarde heeft. Oprijlanen kunnen buiten de definitie van groenterrein beschouwd worden, overig grind erbinnen.

Eis 15.3: Hoe geef ik invulling aan het ‘plus’ gedeelte van het groenbeheerplan?

Zowel in het ‘gewone’ groenbeheerplan als in groenbeheerplan ‘plus’ hoort te zitten:

  • Beschrijving van methodiek van enkele zaken (snoeien, aanplanten, maaien etc);
  • Beschrijving van minimalisatie van chemische stoffen.

Het plus-plan dient daarnaast te bevatten:

  • Beheerplan voor ecologische ontwikkeling.

Het plus-plan kan ingevuld worden met behulp van een ‘groene onderlegger’ over het gewone groenbeheerplan. In dat geval wordt bijvoorbeeld bij nieuwe aanplant niet alleen gekeken naar methodiek, maar óók naar het soort plant. Denk aan inheems, uitheems, voedselbron voor insecten, toevluchtsoord voor vogels, milieu-impact van opkweek etc. aangezien dit impact heeft op de ecologische ontwikkeling, hetgeen van ‘plus’ verwacht wordt.

Eis 15.4: Wat als de eisen van de Milieuthermometer conflicterend zijn met de eisen van het waterschap?

De eisen voor houtachtig afval zijn in sommige regio’s conflicterend met eisen van waterschap en/of gemeente. In dat geval hoeven de eisen in het schema niet gevolgd te worden.

Eis 15.11: De leverancier heeft een informatieblad van strooizout toegestuurd. Hoe zie ik of het voldoet aan de Milieuthermometereis?

Dooimiddelen moeten voldoen aan de Standaard RAW bepalingen 50.46.01 of 50.46.02. Zie de opsomming hieronder:

> Vast dooimiddel (50.46.01)

  • Het gehalte NaCl, bepaald overeenkomstig EuSalt/AS 016-2005, dient ten minste 96,0 massaprocenten te bedragen.
  • Het gehalte H2O, bepaald overeenkomstig ISO 2483, mag maximaal 3,5
    massaprocenten bedragen.
  • Het gehalte onoplosbare delen, bepaald overeenkomstig ISO 2479, mag
    maximaal 2,0 massaprocent bedragen.
  • Het gehalte in water oplosbare zouten, anders dan NaCL, zijnde de restwaarde
    na aftrekken van de som van de volgens lid 01, 02 en 03 bepaalde
    massaprocenten, mag maximaal 2,0 massaprocent bedragen.
  • Wegenzout mag maximaal 3,0 mg/kg Arseen, 0,9 mg/kg Barium, 0,1 mg/kg
    Cadmium, 0,4 mg/kg Chroom, 0,8 mg/kg Kobalt, 2,0 mg/kg Koper, 0,1 mg/kg
    Kwik, 3,0 mg/kg Lood, 64 mg/kg Molybdeen, 1,8 mg/kg Nikkel en of 1,5 mg/kg
    Zink, bepaald overeenkomstig EuSalt/AS 015-2007 opgelost in water pH4,
    bevatten.
  • Wegenzout mag maximaal 0,1 mg/kg Kwik, bepaald overeenkomstig Euro
    Chlor Analytical 7 opgelost in water pH4, bevatten.
  • Aan wegenzout dient antiklontermiddel toegevoegd te zijn als Na4Fe(CN) 6 en/of
    K4Fe(CN) 6, met een concentratie van 40-100 mg/kg, uitgedrukt als Fe(CN) 6 , of
    een gelijkwaardig cyanide-vrij antiklontermiddel.
  • De zeeffractie van wegenzout kleiner dan 0,16 mm mag ten hoogste 8
    massaprocenten bedragen. De zeeffractie groter dan of gelijk aan 5 mm mag ten
    hoogste 2 massaprocenten bedragen. Langwerpige bestanddelen die door de zeef
    van 5 mm vallen, mogen niet groter zijn dan 8 mm. Een en ander te bepalen door
    een zeefanalyse overeenkomstig NEN-EN 933-1 met gebruikmaking van zeven
    overeenkomstig NEN-2560.

> Vloeibaar dooimiddel (50.46.02)

  • Natte component dient te bestaan uit een oplossing in water van 20 tot 23 % (m/m) NaCl , 18 % (m/m) MgCl, 33 %(m/m) CaCl2,of 16 % (m/m) CaCl2
  • Het gehalte aan Arseen, Cadmium, Chroom, Kobalt, Koper, Kwik, Lood, Molybdeen, Nikkel en Zink, gerekend in percentage vaste stof, dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 50.46.01 lid 05
  • Dooimiddel vloeibaar mag maximaal 400 mg/kg Barium, gerekend in percentage vaste stof, bepaald overeenkomstig EuSalt/AS 015-2007 opgelost in water pH4, bevatten.

PAPIER

Eis 17.1: Hoe voorkom ik dat ongewenste post bezorgd wordt?

Het kunt ongeadresseerde post (reclamedrukwerk etc.) het beste blokkeren met een NEE-NEE sticker op de brievenbus. Indien u ook de geadresseerde reclamepost wilt weigeren kunt u zich eenvoudig inschrijven bij het Nationaal Postregister. Hier kunt u aanvinken van welke sectoren u post wilt ontvangen. De inschrijving is gratis en blijft 5 jaar van kracht.

TEXTIEL

Eis 17.1: Is Certerx normering en NEN 750 vergelijkbaar mer de criteria van EU ecolabel, Okotex, Fair Trade en Made by?

NEN750 en Certex zijn beiden kwaliteitskeurmerken. Ze zeggen niets over de milieu- of arbeidsomstandigheden waaronder de producten gemaakt zijn. De keurmerken zijn dus niet vergelijkbaar met de gevraagde keurmerken en er is niet voldaan aan de extra eis.

Eis 17.1: Welke vragen moeten aan de leverancier gesteld worden?

Zie voor een voorbeeld de vragen die het OLVG aan haar leverancier stelde (incl. antwoorden): Duurzaamheidsvragen inkoop textiel.

Eis 17.5: Wat wordt verstaan onder ‘semi-professioneel’

Er bestaan grofweg drie types wasmachines:

Type Draaiuren Gebruik Dosering Aansluiting op water
Huishoudelijk circa 4.000 Wekelijks Manueel Koud
(Semi-)professioneel 10.000 – 20.000 tot 5 keer per dag Manueel/autom. Koud/warm
Industrieel 35.000 – 50.000 Continue Manueel/autom. Koud/warm

Hoe vaker er gewassen wordt, hoe rendabeler het is om voor een professionele of industriële wasmachine te kiezen. Naast een aanzienlijk hogere levensduur is het vaak ook mogelijk om deze types aan te sluiten op een warmwaterleiding, zodat ook op energieverbruik bespaard wordt.

Van iedere huishoudelijke wasmachine moet uitgerekend worden wat het energielabel is (op basis van een aantal variabelen) om het op de Europese markt te kunnen verkopen. Voor (semi-)professionele en industriële wasmachines is dit niet verplicht en gebeurt dit daarom zelden.

(bron: Laundry BV, Laundry Expert)

Eis 17.5: Wasmachines bij externe reiniging

De eis over de reinigingsmachine bedraagt: ‘’Reinigingsmachines hebben energielabel A, zijn hotfill of semi-industrieel.’’ Ons ziekenhuis reinigt textiel extern. Zij geven aan state of art technologie in te zetten en rekening te houden met duurzaamheid en energiebesparing. Voldoen we daarmee aan de eis?

Externe wasserijen wassen standaard met industriële wasmachines. Als ze aangeven ook nog rekening te houden met duurzaamheid kunt u ervan uitgaan dat ze aan de Milieuthermometereisen voldoen. Deze eis is voornamelijk gericht op wasmachines binnen de instelling zelf.

Eis 17.5: Kunnen we enkele wasmachines uitzonderen van eis 2.1.17.5.?

Binnen onze organisatie is er de regel dat een afdeling niet zelf een wasmachine mag hebben. Nu is er één uitzondering op deze regel en is er een afdeling die 2 kleine eigen wasmachines heeft. Deze zijn al zo oud dat er geen milieuklasse of iets dergelijks van bekend is. Indien vervanging plaatsvindt, zullen we kiezen voor een industrieel exemplaar of A-label. Er is echter niet bekend of dit binnen nu en 5 jaar nodig is, dus een vervangingsplan van maximaal vijf jaar oud is hier niet op van toepassing. Kunnen we ondanks deze machines toch aan de eis voor wasmachines voldoen?

Als de wasmachines weinig gebruikt worden, zal het geen probleem zijn bij de audit en kun je ze buiten beschouwing laten. Worden de wasmachines dagelijks gebruikt, dan is het wel beter en ook rendabel om de wasmachines snel te vervangen. De certificeerder zal in dat geval ook zeggen dat u de wasmachine binnen één jaar (voor de heraudit) moet vervangen.

Eis 17.7: Gaat ‘persoonsgebonden goed’ alleen om kleding of ook lakens, kussens, gordijnen, etc?

Die eis gaat over alles wat van de personen/bewoners zelf is en is dus vooral van toepassing in verpleeginstellingen waar kleding overblijft bij overlijden van bewoners. Dit dient gerecycled te worden. Sommige instellingen hebben zelf een kledingbak op het terrein staan, bijvoorbeeld van Leger des Heils. Bedrijfskleding en platgoed van de instelling zelf wordt meestal afgevoerd via de leverancier. Dan is het voldoende als je weet hoe dat gebeurt (dat het wordt hergebruikt en niet verbrand).

INNOVATIE

(Binnen het thema innovatie zijn nog geen vragen gesteld).